Geheugenpoli’s zijn het startpunt van nazorg voor jonge mensen met dementie: zo versterken dementienetwerken de samenwerking
Geheugenpoli’s zijn het startpunt van nazorg voor jonge mensen met dementie: zo versterken dementienetwerken de samenwerking
28 januari 2026
Wanneer jonge mensen de diagnose dementie krijgen, verandert hun leven in één klap. Wat er daarna gebeurt, hangt af van waar iemand woont, de nazorg verschilt per regio. Tijdens een YOD-leergemeenschap bijeenkomst op 1 december 2025 deelde Hanna Bodde, onderzoeker bij Erasmus MC en het YOD-INCLUDED consortium, nieuwe inzichten uit haar promotieonderzoek naar de nazorg voor jonge mensen met dementie (JMD). Haar conclusie is duidelijk: de geheugenpoli speelt een belangrijke rol, maar de praktijk is in Nederland nog te versnipperd.
Geheugenpoli’s zijn het startpunt van nazorg voor jonge mensen met dementie: zo versterken dementienetwerken de samenwerking
20 januari 2026 - Paula Gerring, Christian Wallner en Hanna Bodde
De geheugenpoli als startpunt van zorg
Voor iedereen met een vermoeden van JMD is de geheugenpoli het officiële startpunt van zowel diagnostiek als nazorg. Toch blijkt dat geheugenpoli’s enorm verschillen in organisatie en aanpak: sommige vallen onder neurologie, andere onder geriatrie of psychiatrie. Ook de disciplines die betrokken zijn en de onderzoeken die worden uitgevoerd, lopen uiteen. Juist die eerste weken na de diagnose zijn heel belangrijk,” benadrukt Bodde.
Nazorg is divers
Uit haar onderzoek, in samenwerking met de Geheugenpoli Monitor (Alzheimercentrum Limburg) blijkt dat ongeveer 65% van de Nederlandse geheugenpoli’s enige vorm van nazorg binnen twee maanden aanbiedt. Meestal gaat het om een extra consult na het uitslaggesprek, vaak met een verpleegkundige of verpleegkundig specialist. Maar het aanbod varieert enorm:
- Sommige poli’s verwijzen direct terug naar de huisarts
- Andere bieden informatiebijeenkomsten, lotgenotengroepen of standaard extra consulten
- Een enkele geheugenpoli betrekt zelfs een kinderpsycholoog, gezien het vaak relatief jonge gezin van mensen met dementie op jonge leeftijd.
Waar het lastig wordt: financiering, personeel en visie
Het grootste knelpunt voor goede nazorg is volgens Bodde gebrek aan tijd en financiering. De budgetten binnen de geriatrie bieden vaak meer ruimte dan binnen neurologie. Dat bepaalt direct hoeveel nazorg wordt geboden. Daarnaast kunnen personeelsverloop en de visie van zorgprofessionals belemmerend werken.
“Als zorgprofessionals van een geheugenpoli vinden dat nazorg niet tot hún verantwoordelijkheid behoort, maar tot die van de huisarts, dan wordt simpelweg geen nazorg geboden” aldus Bodde.
Een ander aandachtspunt: mensen die net een diagnose hebben gekregen, nemen tijdens het uitslaggesprek vaak weinig informatie op. Dit maakt een zorgvuldig georganiseerde nazorg des te belangrijker. Met daarbij aandacht voor aanvullende informatie over de diagnose, de beschikbare dementiezorg, ondersteuning bij het verwerken van de diagnose en het beantwoorden van vragen.
Voorbeelden die wél werken
Verschillende regio’s laten zien dat goede samenwerking in de zorg ook in Nederland haalbaar is. Uit interviews die Bodde samen met Vilans voerde met zorgprofessionals van geheugenpoli’s, kwamen meerdere inspirerende voorbeelden naar voren van hoe deze samenwerking concreet wordt vormgegeven.
Voorbeelden:
1. Gezamenlijke diagnostiek met GGZ-organisatie
Een geheugenpoli die samenwerkte met een externe GGZ-instelling én JMD-expertisecentrum zorgde voor een soepele overgang van diagnose naar nazorg. Specialisten ouderengeneeskunde waren al betrokken tijdens de diagnostiek en sloten direct aan na de diagnose. Het ‘gat’ tussen diagnose en begeleiding verdween.
2. Casemanagers in het MDO
Bij een andere poli werden casemanagers standaard uitgenodigd bij het multidisciplinair overleg. Hierdoor kregen ze alvast een warme overdracht over de cliënten die in hun caseload terecht zouden komen. Dat gaf hen tijd om zich voor te bereiden en daarnaast om vragen te stellen over cliënten waar ze al bij betrokken waren.
3. Warme overdracht door een goed verbonden verpleegkundig specialist
In één regio kende de verpleegkundig specialist de sociale kaart zó goed dat zij zelf een warme overdracht verzorgde. Een directe doorverwijzing zette de begeleiding meteen in gang.
Praktische handvatten voor betere samenwerking
Volgens Bodde begint goede regionale samenwerking bij iets eenvoudigs: contact. Ze adviseert casemanagers met een specialisatie en coördinatoren van dementienetwerken om actief de verbinding te zoeken met geheugenpoli’s:
1. Ga op de koffie
Een ontmoeting werkt vaak beter dan bellen of mailen. Veel ziekenhuizen zijn gewend aan mensen die meelopen, zoals co-assistenten, dus een casemanager kan in veel gevallen zonder problemen een dag meekijken.
2. Lever afgestemde informatie aan
Zorg voor materiaal dat past bij de nazorgstructuur van de poli. Is er een extra consult? Lever een uitgebreide sociale kaart aan. Is er weinig nazorg? Zorg voor een korte informatiebrief over bijvoorbeeld casemanagement die direct na het uitslaggesprek kan worden meegegeven.
3. Spreek verwachtingen uit
Ga het gesprek aan over wat je van elkaar kunt verwachten. Wat heeft de casemanager nodig bij overdracht? Wat kan de poli wél en niet doen? Duidelijkheid voorkomt teleurstelling.
Wat vooral blijft hangen uit Boddes presentatie, is dat de eerste fase ná de diagnose JMD te belangrijk is om aan het toeval over te laten. Regionale verschillen ontstaan soms door systemen of budgetten, maar vaak vooral door verschillen in visie, prioritering, kennis en samenwerking. Werk aan de winkel dus voor betere regionale samenwerking!
Volg Hanna op Linkedin: Hanna Bodde - Alzheimercentrum Erasmus MC | LinkedIn